WAT WIL JE DAT IK JE VERTEL?

GEDICHTEN van
Ingrid E. Noppen

 

NU ER DIE STILTE HANGT

 

Wiens kind ben ik geweest

wat heb ik ooit geweten

dan enkel maar het heden

van wie mij borgen in hun schoot

 

onzichtbaar voor elk oog

altijd onuitgepakt gebleven

hun koffers in die donkere hoek

met niet te openen sloten

 

soms snerpten heel opeens wat kreten

als ijzel door de kamers

ontweken stille tranen

de beklemming van mijn vragen

 

en nu het stil geworden is

blijft er dat wroeten naar verledens

waarvan ik nooit de sleutels had

 

wiens kind ben ik geweest?

 

NOVEMBER HUILT

 

Nu er alleen nog stilte is
als ook dit uitgeholde hart dat
veel te lang die onmacht voelde
geteisterd 
slechts ingeslikte tranen dronk

cirkelen gedachten rond
in altijd weer
het laatste beeld aan jou
terwijl herinneringen kleven aan
willen terugdraaien van de tijd

het was een onbegonnen strijd
oneerlijk ook en niet te winnen
een krachtmeting tussen een reus
en een te kleine dwerg

november huilt nog steeds
om wat uit haar werd weggekaapt
uniek een mens
te mooi om te verliezen

het was een onbegonnen strijd
oneerlijk ook en niet te winnen

 

 

 
GEEN BOUWEN MEER IN GROOT

Er is geen bouwen meer in groot
maar slechts miniemer nog dan klein
en ook niet langer dan een dag
kunnen je dromen zijn

geen einder nadert aan je zicht
als een kompas om op te varen
en ach, hoe sober brandt het licht
als toorts doorheen de nacht

je lijkt tot niemand zijn verworden
een piepklein stipje dat beweegt
je noemt je naam en vraagt je af
wie je ooit bent geweest

de uren klemmen in minuten
een omzien doet alleen nog pijn
met de moed der wanhoop blijven vechten
in deze ongelijke strijd

er is geen bouwen meer in groot

 

 

MIJN BETERE IK
(voor mijn dierbare zus Suzette)

 

We voeren dezelfde strijd
jij en ik
we houden elkaar vast
ik jou en jij mij
en we beseffen allebei
wat niemand weten kan

 

ik zoek mijn betere ik
omdat jij zegt dat
dat het beste is
de woede die ik voelen kan
jij vindt dat niet oké

 

jouw pijn is meer dan
ik kan dragen
als niet zo lang geleden
woedt er die onmacht weer

 

mijn kracht gaat onder
met de jouwe
getooid met duizend doornen
tergt nu dat branden van de zon

 

ik wou dat ik jou redden kon
mijn dierbare, betere ik

 

 

 

 

 

 

STEEN VOOR STEEN

 

Alerte wachter aan jouw hart
mijn hoopvol oor scherp
aan jouw lippen
misschien, o ja, misschien
breekt door blokkades heen
wat veel te lang al in
hardnekkig zwijgen is gemetseld

 

ik beitel steen voor steen
los van de vesting die rondom
zelfs elke flinter zonlicht
tot een versperring is

 

wil ik ontpluizen wie je bent
en welke naam je is gegeven
achter het masker dat je showt
ik wil tot in je aderen weten

 

door de blokkades heen
vergruis ik steen na steen

 

 

ZWARTE LINTEN

 

Sneeuwwit het laken
het kraakte veel te luid
wanneer ik het bewoog

 

jij lag zo stil, doodstil
dat zelfs het fluisteren
van mijn stem
als donderslagen klonk

 

wist jij dat angst kon klappertanden
als koude koorts doorheen je lijf?


ik wilde je niet kwijt

niet daar, niet toen
omgeven door reeds
uitgedraaide apparaten

 

maar toch, je stierf
niet meer bewust van mij
en onomkeerbaar tooide het tij
de dag met zwarte linten

 

 

 

 

ZOEKTOCHT

 

Hoe de bomen in lange rijen stonden
wij er tussenin als dwergen leken en
uitkeken over het pad voor ons
dat zich uitstrekte in oneindigheid

 

we sjokten voort en spraken niet uit
hoe vermoeid we al waren, zwegen
alsof elk woord had kunnen verbreken
waar we volhardend in bleven geloven

 

alsmaar volgend de trek van de
vogels boven ons, sneeuwwit en met
hun vleugels scherend langs de wolken

licht zwevend op de rug van de wind

 

daar waarheen zij trokken
moest het zijn dat wij eindelijk
terug konden vinden wat wij
zomaar ergens waren kwijtgeraakt

 

en hoe uitgeput we al waren
we sjokten voort

 

 

DAT WAT RESTEERT

Wie kon weten dat de tijd zou komen
met handen vol zwarte bloemen en
verscholen in zijn mantel het noodlot
dat zijn ijskoude adem zou leggen over
het gelaat van unieke schepselen

maar onaangeroerd bleven de herinneringen
standvastig in hun soliditeit als een
erfenis van waardevolle schatten

op het witte doek van gedachten
soms, als in een weerzien kuieren
ijle silhouetten in kleurige gewaden
fluisteren vertrouwde stemmen
in hun klanken van weleer

dan explodeert weer
die warmte binnenin mij
en bloesemt als voorheen
een glimlach om mijn mond

 

NIET OVER PRATEN

 

In al jouw heersende stiltes

toch heb ik je gekend

geweten wie je was

de moeder, de vrouw

het bevochten verleden

 

altijd weer suste het heden

met één vinger op gesloten lippen

ssst

 

waar ik speurde tussen de regels

van ongelezen bladzijden

op afstand bleef je in mijn zoektocht

 

maar soms was het

alsof ik iets van een fragment vond

in de spelonken van uitgevlakte dagen

die je zwijgend als onzichtbare bagage

meedroeg op je rug

 

dan was er één vinger op gesloten mond

ssst, ssst, ssst

 

 

FINALE

 

Toen was daar jouw finale

verbijsterend mooi zoals

je ging en puntgeslepen scherp

jouw blik de laatste akte schetste

 

de wereld draaide door

terwijl een ogenblik van

o zo waardig zijn zich kleedde

zoals je was geweest

 

niet één keer keek de tijd nog om

maar snelde voort in het tumult

van veel te schelle stemmen

de dag kromp stilletjes ineen

 



WAT ONGESPROKEN BLEEF

 

Ook dat herinner ik mij nog

jouw verhaal van

hoe je eens onder het kabaal

van geweerschoten en gekrijs

moest vluchten uit je huis

 

je hart bonsde te luid

toen je in ragdunne jurk

en op blote voeten

de bescherming zocht

van de doornatte sawa’s

 

toen pas begreep ik

waarom je trilde bij

de donder van onweer en

het kloppen op deuren

zelfs de bel deed je verstarren

en in stilte ondergaan

 

maar te weinig heb ik kunnen verstaan

van wat nog huisde

in zoveel ongesproken woorden

 



 

298 MAAL EEN SALUUT


Op te warme julidagen
rijen houten kisten
en in een eindeloze keten
colonnes zwarte wagens

zoveel doden, zoveel tranen
door een stelletje barbaren
dat oorlogje speelt en moordt
en rooft en sporen van bloed
trekt over de aarde

 

een echo van verstilde stemmen
driehonderd bijna in getal
maar oorverdovend krijst hun aanklacht
die door geen tijd verstommen zal

 

op te warme julidagen
rijen houten kisten
300 bijna in getal

 

----------------------------------------

 

CLOSE TO CLOSE

Straks mijn vlinder, zullen we dansen
vleugel aan vleugel
in het licht van de zon

tot in de extase van een eeuwige tango
zullen we onze lijven dronken drinken
met een likeur van wel duizenden bloemen

dan nog eenmaal zullen we omzien, mijn vlinder
en niet meer weten hoe ijzelend deze winters waren

straks, als we dansen
vleugel aan vleugel en
close to close

 ------------------------------------------

CONFRONTATIE

 

Ik heb het zo toch niet bedoeld
maar ze bleven komen
toen ik de spade had gezet
in de aarde van mijn hart
kwamen ze naar boven

 

ik dacht
dat ik de grond gezeefd had
het onkruid had geschoffeld
de oude wortels had getrokken
en had weggemoffeld

 

maar ze bleven komen
al die begraven silhouetten
toen ik de spade had gezet
kwamen ze naar boven

 

ik heb het zo toch niet bedoeld
als een confrontatie
tussen jou en mij
want alle wonden
die ik schreeuwde

daar hoorde jij niet bij

 

 

 

 

 

ZE ZIJN ALLEMAAL GEKOMEN

 

IJlend over het verre land
waar jij geen herinnering achterliet
maar met je meetorste in de
gesloten burcht van je hart

 

herken je de omhelzing van
wie je niet eerder meer terugzag
transformeren schimmen tot leven

in de stilte van het willen vergeten


altijd weer was er de dreiging van
boze dromen die de nachten gijzelden

in een laatste blik nog keten je mij vast
‘ze zijn allemaal gekomen’, zeg je

 

 

 

 

HOE LANG MEET EEN MIJL DAN?

 

Al weet ik niet
wat er schuilgaat in zijn blik
en in de klanken van zijn stem

ik ken hem in elk woord
in elke letter die hij 
vrucht geeft op papier
alsof de bloesem van een zomer

is er een tuin zo vol in bloei
als die waardoor hij 
mij toestaat te gaan 
plukt hij mij rozen zonder doornen

hoe lang meet een mijl dan
en wat betekent afstand
meer dan dichtbij?

 

 

 

DAT WAT RESTEERT


Wie kon weten dat de tijd zou komen
met handen vol zwarte bloemen en
verscholen in zijn mantel het noodlot
dat zijn ijskoude adem zou leggen over
het gelaat van unieke schepselen


maar onaangeroerd bleven de herinneringen
standvastig in hun soliditeit als een
erfenis van waardevolle schatten 


op het witte doek van gedachten
soms, als in een weerzien kuieren
ijle silhouetten in kleurige gewaden
fluisteren vertrouwde stemmen
in hun klanken van weleer

 

dan explodeert weer
die warmte binnenin mij
en bloesemt als voorheen
een glimlach om mijn mond

 

 

PROOI

 

Het was het kraken van de vloer 
de donkere schimmen op de muren 
terwijl het tikken van de uren 
te traag en snerpend luid 
als losgeslagen echo’s klonk 

jij, kind van stukgetrapte dromen 
waar was de schoot die jou eens droeg 
zo warm beschermend als een fort 
waar buiten reeds … 
was het de schaduw van het kwaad? 

wie heeft je schreeuw gehoord 
die door te zwarte nachten doolde 
en eenzaam zocht naar ergens toch gehoor 
wie ging je voor 
op zoek naar veilig land? 

jij, kind van stukgetrapte dromen 
nog ben je prooi voor roedels wilde dieren




ONTSLUIERD

Betreden heb je
met o zo zachte schreden
de heilige aarde van mijn land
de warme wouden van mijn stiltes

en de tempel van mijn ziel
ben je binnengegaan
met fluisterende stem
en omhelzende armen

te laat
hebben mijn ogen 
zich af kunnen wenden
hebben mijn handen 
kunnen bouwen
muren tot een vesting

waar kan ik mij nog
een schuilplaats vinden
nu mijn gelaat
ontdaan van sluiers is?

WAAR BEN JE TOCH?

De kamers zijn zo stil geworden 
je lijkt verslonden door de tijd 
waar is je lach, waar zijn je babbels 
ik zoek naar je aanwezigheid

de wereld blijft gewoon maar draaien 
het lijkt te wreed, bijna bizar 
dat alles doorgaat zonder jou 
en ik geen weg weet met mijn hart

ik zoek je steeds in elke schaduw 
in al de glitters van het licht 
en in gedachten streel ik alsmaar 
de zachte contouren van je gezicht

 waar is je lach, waar zijn je babbels 
ik mis je, ach, ik mis je zo

 

 

 

ZWARTE SCHOENEN

Je had ze aan
zwarte
want dat had je gezegd
'ik wil mijn schoenen aan’

en je donkergrijze pak
je had het twee keer aan gehad
ik vond die stropdas mooi

 

op je revers
dat engeltje van mij
waarom?
nou ja omdat
het voelde gewoon goed

 

je ogen waren opgemaakt
met hier en daar wat parelmoer
ik dacht nog bij mezelf
dat als je dat zou weten
je met een ruk weer zou herrijzen

 

in elk geval
je had je zwarte schoenen aan

 

 

WEERZIEN (voor Joz)

 

Alle uren, alle jaren
die ons te ver uiteen
lieten omgaan als nomaden

in een woestijn met veel
teveel fata morgana’s

 

vermoeid als wij waren
zocht jij mij
zocht ik jou
in het niets grepen onze handen
doorheen de adem van de wind

 

tot aan die dag waarop ik
bijna niet meer jouw wezen herkende
zo een te lange eeuwigheid had zich neergelegd
als een eeltlaag over ons gelaat

 

en toen ik je dan vond
vertrouwd als in een oeroud verleden
deed geen tijd er nog toe
dan onze ogenblikken samen

 

totdat wij onze eigen vertes
weer noodgedwongen moesten ingaan
maar toch met het weten
geen tijd doet er nog toe

 

 

 


ALS ...

 

Wat zou je anders doen, mijn vriend
wanneer je werd vergund
terug te gaan naar
waar je ooit begon

 

en als je mee mocht nemen
dat wat je nu vergaard hebt
aan kennis in je brein
zouden je wegen dan misschien
wat meer begaanbaar zijn

 

zou je rugzak lichter dragen
je blik wat wijzer schouwen
en zou je weten uit ervaring
hoe je een huis moet bouwen

 

wat zou je anders doen, mijn vriend?

 

 

NOEM MIJ

 

Zoek ik jou
nu en morgen
en de dagen daarna

 

in een ademteug
noem mij
in een fluistering zachtjes

 

zodat ik je opmerk
met geopende ogen 
wil ontmoeten wie je bent
in een glimp zelfs herken

 

hoe je heet
wat je denkt
wat er omgaat in jou

 

in een ademteug
noem mij

 

 

 

 

SATIJNZACHT

Ach, mijn lief heb ik je liefgehad
zoals de lente de ijle bomen
de zon het rillende land

heb ik je naam ontvouwd
op mijn lippen
zo satijnzacht
dat je zou weten
wie hem sprak?

zoek mij, zoals ik jou zoek
in de nissen van de stilte
en alle spelonken van de tijd

 

nog zoveel luider dan de wind
hóór hoe ik je roep
alsmaar … en alsmaar

 

letter voor letter
zo satijnzacht
ontvouw ik je naam

 

 

FLUISTER SLECHTS

Zacht, zachter nog
praat niet mijn oren doof
nu ik schoffel en maai
mijn gazon van louter woorden

pluk niet mijn bloemen van taal
zonder te zien en voelen
hoe zij openbloeiden
in de tuin van mijn ziel

wil je noemen van mijn naam
letter voor letter
fluister slechts

 

 

 

Klik hier om aan te passen

HUIZE NOWHERE

 

Ik zeg dat ik je kamer mooi vind
wel een beetje klein misschien
maar dat hou ik voor mezelf

 

en ik troost je met het uitzicht
en met de grote tuin beneden
waarin fatsoenlijk rijtjesgroen

 

dat de smalle gangen
smetteloos wit en veel te lang
lijken te leiden naar een nowhere
daarover zwijg ik ook

 

je laat me foto’s zien van vroeger
en dan opeens zijn er slechts tranen
elke dag die dunne soep
en de zusters zijn niet aardig

 

ik troost je met het uitzicht
en met de tuin beneden

 

 

 

DE BOMEN HUILEN TRANEN

 

Huiverende bladeren
rillend groen
een ekster nipt
een drank van regendruppels

 

zompig
ligt de aarde
een zwerfkat zoekt
vergeefs een droge plek

 

een verveloos hek
omfort een tuin
geen leven achter ramen
de straat tekent verlaten

 

de bomen huilen tranen 

 

 

 
 
 
 
KANSLOOS
 

Dat beeld herinner ik mij ook

jouw gezicht in dat kussen

en toen ik je vroeg waarom, zei je

omdat ik anders huilen moet

 

ik streelde je onbehaarde hoofd

waarop minuscule stoppeltjes

hoop gaven op een nieuwe oogst

 

ik wilde dat jouw tranen

over alle dijken heen

zouden stromen als rivieren

misschien had je dan nog een kans

 

maar in het sneeuwwit van dat kussen

ankerde jouw gezicht zich

muurvast in een stilte

 

ik streelde je onbehaarde hoofd